Buiten adem kwam Fiona eindelijk boven. Zevenhonderdendrieëntwintig trappen, hij had ze geteld op weg naar boven, daarvoor had hij tenslotte de tijd gehad. Hij had in alle rust trap per trap genomen, zonder haast. Dat was nu toch niet meer nodig. Hij had eindelijk de rust gevonden, de rust waar hij zo lang naar gezocht had.
Fiona hoefde niet rond te kijken, ze zag hem direct staan, aan het randje van het grote appartementsgebouw stond hij. Hij keek voor zich uit, alsof hij de wereld over zag, zoals een koning zijn koninkrijk over kijkt en diep vanbinnen best trots is op zijn land. Fiona wist echter dat hij niet trots was. Dat hij diep vanbinnen volledig gebroken was. Beyond repair.
“Spring niet”. Hij keek om. Geen lachje deze keer, niet zoals anders toen hij haar zag. Zij was de enige die hem echt even vrij kon maken van alle gedachten, zij was de enige die hem bevrijdt had zo nu en dan. Maar ze zag dat hij nu niet lachte, dat hij emotieloos was.
“Ach Fiona,”. Ze besefte direct dat ze te laat was, dat hij geen terugkeer meer zou maken, wat ze ook zei.
“Wat is er nu nog over? Mijn dromen? Mijn dromen die ik nooit zal kunnen vertalen in werkelijkheid, ondanks dat ze best simpel zijn? Iedereen rondom mij leeft. Ik heb het ook geprobeerd, maar het lukt mij niet, dat heb jij ook gezien. Te streng voor mezelf én voor anderen. Gewoon verder gaan dan? En dan? Ongelukkig zijn, dag in dag uit? Af en toe mij oké voelen, denken dat er misschien beterschap komt, om dan enkele uren later dat duwtje te krijgen dat me nog dieper dat putje induwt? Nog maar eens, opnieuw? “
“Liefde?” antwoordde ze. “Het echte leven? Het leven waar we samen van droomden toen we samen in de put zaten, weet je nog? Ons vrolijke thuisje waar we de basis zouden leggen voor ons echte leven? En onze tripjes die we al volledig, tot in de kleinste details hebben uitgestippeld, ook al hebben we nog geen budget en duurt het nog jaren voor we kunnen vertrekken?”
Hij glimlachte. En Fiona lachte ook. Hij leefde voor haar lach, dat had hij haar eens gezegd. Dat en haar ogen, die hij zo fascinant vond.
Hij pakte haar hand vast.
“Fiona, waar jij ook gaat, ik zal altijd bij jou zijn. En wanneer jij jouw eerste stekje vindt zal ook ik daar wonen. Als jij op reis gaat, of op uitstap dan zal ik bij jou zijn en zal ik mijn armen rond je buik leggen, je tegen me aantrekken en fluisteren dat ik jou ontzettend graag heb.
Fiona, leef. LEEF. Doe het voor mij, want ik kan het niet. Het is me te zwaar. Je ziet het zelf ook en je kan niks doen om me te helpen, en ik weet dat je het ontzettend graag wel zou kunnen.
Nu kan je, laat me gaan, voor nu. Ik laat je niet los, ik neem geen afscheid en ik laat je zeker niet in de steek, want ik zit hier.” Hij wees naar haar hart.
Fiona huilde en ze knikte. Ze probeerde moedig te zijn, want ze wist dat ze nu niks meer kon doen.
Zacht kuste hij haar lippen, en toen draaide ze zich om.
Ze liep de trappen rustig weer af.
En hij sprong.